
-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Op Bezoek bij
opa
Er werd geklopt. Het was Ehoed. Hij kwam zijn vriend Jonathan opzoeken.
Jonathan en Ehoed zaten in de zelfde klas. Ze waren de beste vrienden.
Ze deden alles samen; leren, spelen en kattenkwaad uithalen.
Deze keer was Ehoed nogal opgewonden.
“Ik heb je iets heel belangrijks te vertellen”, zei hij tegen Jonathan
toen deze de deur open deed. “Wat is er aan de hand?” vroeg Jonathan
terwijl hij Ehoed binnen liet. Ehoed ging op het bed zitten en begon snel te
vertellen. “Je weet zeker dat we met Yom Tov bij mijn opa en oma waren.” “Ja”,
zei Jonathan. “Ik ken je opa. Hij ziet eruit als een grote tsadiek. Hij
heeft een witte baard”. “Klopt”, zei Ehoed “mijn opa
is een tsadiek en ook heel erg knap. Hij leest en leert de hele dag. Ik denk
dat hij álles weet”. “Maar wat wilde je me nou vertellen?” vroeg
Jonathan ongeduldig. Ehoed keek hem aan en zei zachtjes: “Mijn opa zegt
dat de Masjieach bijna komt.”
”Wie?” vroeg Jonathan verbaasd. “Wie komt bijna?”
“De Masjieach. Degene die de Ge’oela, de verlossing brengt
aan ons, de joodse mensen en de hele wereld.”
“En hoe weet je opa dat?” vroeg Jonathan ongelovig. “Daarvoor
ben ik bij je gekomen”, zei Ehoed. Mijn opa zag dat ik geïnteresseerd
was in wat hij vertelde en heeft me uitgenodigd om vanmiddag bij hem te
komen. Ik zou het leuk vinden als je meekomt.”
“Vindt je opa dat goed?” vroeg Jonathan .
“Zeker,”antwoordde Ehoed “mijn opa houdt van mij en
hij houdt ook van mijn vrienden.”
Jonathan vroeg toestemming van zijn ouders en gelukkig vonden ze het goed.
De kinderen gingen snel naar huis van opa, die vlakbij woonde. Ze kwamen
bij een klein huisje omgeven door een tuin met fruitbomen. Ze klopten
op de deur en opa deed zelf open. Jonathan bekeek hem eens. Z’n
lange witte baard was bijna niet te onderscheiden van zijn witte overhemd.
Zijn ogen keken pienter en hadden een ondeugende blik. “Dag, ik
wachtte al op jullie”zei opa en bracht ze naar zijn kamer. Jonathan
had nog nooit zoveel boeken bij elkaar gezien. Er waren boeken in alle
maten met bruine zwarte kaften. De namen van de boeken stonden er in het
goud opgedrukt.
“Heeft U al deze boeken gelezen?”vroeg Jonathan verbaasd.
“mijn opa leest, leert en dawent bijna ieder dag uit deze boeken”,
antwoordde Ehoed. “Dat klopt mijn kind”,zei opa en schoof
de kinderen een schaaltje snoepjes toe. De kinderen namen een snoepje,
haalden het papiertje eraf en zeiden zachtjes de bracha. Ze probeerden
de bijzondere sfeer die in de kamer heerste niet te verbreken.
“opa,”zei Ehoed ,”we wilden dat u ons over de Masjieach
zou vertellen.” Opa bekeek zijn kleinzoon met een glimlach, knikte
met zijn hoofd en zei: “Ja, Masjieach tzidkeenoe.”
Hij strekte zijn hand uit en haalde een dikke Tenach van de plank. Hij
bladerde erin tot hij gevonden wat hij zocht.
“De Masjieach,” zei opa, “daar wachten we al vele jaren
op. De ne’wieiem (profeten) hebben over zijn komst geprofeteerd
en hebben het volk geleerd erop te wachten. Luister maar wat de nawie
Jesjajahoe zegt.
Opa begon met zijn aangename stem uit de Tenach te lezen:
“Wejatsa goteer megeza Jisjai wenetser misjorsjaf jifree”
Dat wil zeggen dat er koningschap zal voortkomen uit de wortels van Jisjai.
Jisjai was de vader van Koning David.
“De Masjieach”, legde opa uit, is een nakomeling van Koning
David en de sjechiena zal op hem rusten zoals de nawie zegt “Wenacha
alaw roeach Hashem.”
“En wat gaat er gebeuren als de Masjieach komt?” waagde Jonathan
het te vragen.
“Er zullen wonderlijke dingen gebeuren”, zei opa, “het
zijn de achariet hajamiem (einde der tijden)”
Opa las verder: “Wegar ze’ew im kewes wenamer im gedi jirbats,
we egel oekefier oemerie jachdaw wena’ar katon noheeg bam. (Een
wolf zal met een lammetje samen wonen, en een luipaard zal samen liggen
met een bokje; een kalf, een leeuw en een schaap samen zijn en een klein
jongetje zal zij hoeden. )
Opa deed de Tenach dicht en voegde er aan toen :”Er zal recht
op de wereld zijn en er zal geen haat meer bestaan.” (Jesjajahoe
11:9)
Terug naar boven
Higia zman ge'oelatchem
De kinderen keken elkaar aan. De wereld die opa hun beschreven had leek
werkelijk fantastisch. Ehoed zag het al voor zich; een wilde wolf met
een klein wit lammetje samen op één veld en Ehoed zelf was
het kleine jongetje dat ze hoedde.
“De joodse geleerden hebben zich altijd bezig gehouden met de tijd
van de Masjieach,” ging opa verder. “Rambam schrijft dat als
de Masjieach komt het koningschap van David weer terugkomt zoals in de
tijd van de joodse koningen. Het Beet HaMikdasj wordt herbouwd en alle
joodse mensen komen van alle kanten van de wereld naar Israel.
Opa
hield op met spreken en keek de kinderen glimlachend aan. “Maar
opa,”zei Ehoed “dat lijkt op wat er tegenwoordig in Israel gebeurd!
Er komen oliem uit allerlei landen; Rusland Argentinië en andere plaatsen.”
“Ja”zei opa, “dat zijn tekens dat de geoela dichterbij
komt.” ”Rambam zegt ook”ging opa verder terwijl hij in
een ander boek bladerde, “dat na de komst van de Masjieach alle mensen
zich bezig zullen houden met Tora. De hele wereld zal in Hasjem geloven
en iedereen zal Hem samen dienen. Er zal geen jaloezie of concurrentie zijn.
(Hilchot Melachiem 12:5), er zal rechtvaardigheid en waarheid op de wereld
heersen.” “Zullen andere volken ook van de komst van de
Masjieach genieten?” vroeg Jonathan. “Ja” antwoordde
opa, “ook de niet-joodse volken zullen ervan genieten.”
“Maar opa,” zei Ehoed, “wat bedoelde u toen u zei dat
er tekens van de komst van de Masjieach te zien zijn?”
Opa haalde een boek van de bovenste plank waarop jalkoet sjimonie stond.
“Dit is een verzameling van uitspraken van onze geleerden op Tenach,”zei
hij. Hij opende het boek precies op de juiste plek en legde uit: “Rabbi
Jitschak zegt dat de volkeren onder elkaar zullen vechten in het jaar dat
de Masjieach zich zal openbaren. Eén koning zal een Arabische koning
uitlokken. De Arabische koning zal hulp vragen van andere landen. Alle volkeren
zullen heel bang zijn. Ook het joodse volk zal bang zijn. Mensen zullen
niet meer weten wat ze moeten doen. Dan zal Hasjem tegen het joodse volk
zeggen: (hier las opa voor uit de Jalkoet Sjimonie) “Banai al titjaroe,
kol ma sje’asiti lo asiti ella bisjwilchem; higia zman geoelatchem!”
– “Wees niet bang mijn kinderen, alles wat ik gedaan heb, heb
ik alleen voor jullie gedaan. De tijd van jullie verlossing is gekomen.!”
(Jalkoet Sjimonie Jesjajjahoe 499)
“Opa,” zei Ehoed, “dat lijkt wel een beschrijving
van de golfoorlog!”
“Daar heb je gelijk in”, zei opa.
“Maar waarom is de Masjieach er dan nog niet?”vroeg Ehoed .
“om te zorgen dat de Masjieach komt moeten we hem echt willen. We moeten
Hasjem vragen de Masjieach te sturen. We moeten meer Tora leren en meer goede
dingen doen.”
“We leven echt in bijzondere tijden”, zei Jonathan.
Opa aaide over zijn hoofd en zei: “Ja. Deze tijden zijn heel bijzonder.
De sfeer van de geoela hangt in de lucht en er gebeuren de laatste tijd vele
wonderbaarlijke dingen.
De kinderen hingen aan zijn lippen. Opa ging verder: “In de golf oorlog
is de oorlog door anderen gevoerd. Er zijn vele wonderen in gebeurd. Dat verteld
ons dat Hasjem klaar is om zijn belofte te vervullen en de Masjieach te brengen.
De rest moeten wij doen.
“Wij?” vroeg Ehoed.
“Ja” zei opa, “jullie ook kinderen.”
“Maar wat kunnen wij doen?” vroeg Jonathan.
“Jullie kunnen heel veel. Jullie kunnen een beetje meer Tora leren, meer
aan andere denken, voor anderen zorgen en meer Mitzvot doen.”
Toen kwam oma de kamer binnen. Ze keek bezorgd en zei: “Kinderen, opa
is moe.”
Ehoed en Jonathan namen afscheid van opa en oma hoewel er steeds meer vragen
in hun hoofd opkwamen.
Terug naar boven
De kinderen brengen Masjieach dichterbij
Toen ze terug waren in de kamer van Jonathan waren ze nog steeds onder
de indruk. Ze gingen zitten en probeerden te begrijpen waarover opa had
gesproken, wat hij bedoelt had.
“Wat kunnen wij doen?” vroegen ze elkaar.
Ehoed keek naar de rommel in de kamer van zijn vriend, naar de kleren
die over de grond verstrooid lagen, naar de schriften die op tafel gesmeten
waren. Hij zei met een glimlach:”Misschien beginnen we met je moeder
blij te maken? Laten we de kamer opruimen.”
De kinderen begonnen snel de kamer aan kant te brengen. Na een tijdje
was het helemaal opgeruimd en netjes. De kinderen keken elkaar vol voldoening
aan. “Mijn moeder zal vast zeggen dat het Masjieach tijden zijn
als ze deze kamer ziet” zei Jonathan.
Hij keek naar buiten en dacht hardop: “We moeten echt iemand helpen.
Maar wie?” Buiten waren er kinderen met een bal aan het spelen.
Op het bankje aan de kant zat Jisjaj, een klein, verdrietig jongetje.
Hij keek naar de spelende kinderen. Jisjaj was anders dan andere kinderen.
Hij leerde op een speciale school. Hij had problemen met lopen en spreken.
De kinderen lachten hem uit en niemand speelde met hem.
“Jisjaj!” riep Jonathan uit.
“Wat Jisjai?” vroeg Ehoed.
“We kunnen Jisjai helpen! Als we hem aandacht geven en met hem spelen
is hij blij en het maakt ons niets uit.”
“Wat kan hij nou spelen?”, zei Ehoed.
“We kunnen hem spelletjes leren”, zei Jonathan enthousiast
en hij rende naar de deur. De twee jongens liepen snel de trap af en gingen
naast Jisjai op het bankje zitten. Jisjai verwachtte al dat ze hem zouden
gaan plagen en hem zouden uitlachen. Ze glimlachten naar hem en hij zette
grote ogen op van verbazing. “Wil je met ons spelen?” vroeg
Jonathan.
“Ik kan niet spelen” zei Jisjai zachtjes.
“Natuurlijk wel” zei Ehoed “we hebben knikkers en we
kunnen verstoppertje spelen of een balspel doen.”
Ze
begonnen met Jisjai te spelen. Al snel kwamen er nog meer kinderen bij.
Ehoed en Jonathan hielpen Jisjai bij verstoppertje en Jisjai was heel
blij toen ze hem maar niet konden vinden. Voor het eerst in zijn leven
kon hij net zo zijn als alle andere kinderen!
Het werd avond en de moeder van Jisjai kwam om hem binnen te roepen. Even
herkende ze haar blijde zoon niet. Ze keek Jonathan en Ehoed dankbaar
aan. “Tot ziens Jisjai”, zeiden de twee, “tot morgen!
“Jisjai ging blij naar huis. Ook Ehoed en Jonathan hadden een prettig
gevoel. ‘s Nachts had Ehoed een droom. Hij zweefde door de luchten
kwam bij een grote zaal vollicht. Er zat een oude man die op zijn opa
leek. Naast hem zaten mensen met goedige lichtgevende gezichten. Hij liep
met Jonathan de zaal binnen en keek naar de mensen.
“Dat hebben jullie mooi gedaan kinderen” hoorden ze. “Jullie
hebben de Masjieach dichterbij gebracht.
Ehoed werd die ochtend vrolijk wakker.
“Weet je”, zei hij tegen Jonathan toen hij hem tegenkwam, “wat
we gedaan hebben geeft me nu al een fijn gevoel. En als dat ook maar
een beetje lijkt op wat we zullen voelen als de Masjieach komt, dan is
het de moeite waard om ons best te doen om hem snel te laten komen.”
“Dat klopt”, zei Jonathan en hij keek hem glimlachend aan. Ook hij
had ’s nachts een fijne droom gehad.
De twee vrienden zochten nog meer manieren om anderen te helpen. Ze besloten
dat in het geheim helpen, voor de mitswa, het volgende punt op het programma
was om de Masjieach dichterbij te brengen.
“We worden dan niet eens bedankt” zei Jonathan, “en dat is
moeilijker maar fijn.”
Wie zouden ze gaan helpen? De jongens liepen al pratend door de buurt. Ze stonden
tegelijk stil voor het huis van Nechama de weduwe. Ze woonde in een klein huisje
waarvan de tuin helemaal verwaarloosd was. “Een goede vrouw”, zei
Ehoed “jammer dat ze geen kinderen heeft. Eens was haar tuin de mooiste
van de straat, weet je nog? Dat was toen ze nog jong en gezond was. En wie
kan haar nu helpen? Wij!”
‘s Avonds ontmoetten ze elkaar bij het huisje van Nechama. Ze hadden hun
werkspullen bij zich. Ze liepen de tuin binnen en begonnen hard te werken. Ze
wiedden en spitten. Ze kregen er blaren van in hun handen maar dat stoorde ze
niet. Ze werkten hard door. Ze wouden klaar zijn voordat Nechama thuis zou komen.
“Nu moeten we alleen nog bloemen planten” zei Jonathan
“Waar halen we geld vandaan?” vroeg Ehoed.
“Ik heb!” riep Jonathan. “Van mijn chanoeka –geld.”
“Ik heb ook”, zei Ehoed.
Ze besloten dat ze beiden een deel zouden betalen. De volgende dag kochten
ze een paar stekjes. Ze kochten de mooiste die er waren. ‘s Avonds ontmoetten
ze elkaar weer en plantten de bloemen.
Toen Nechama er aan kwam verstopten de kinderen zich achter het hek. Ze zagen
hoe ze vol verbazing naar de mooie tuin keek. Ze was heel blij. “Dit
hebben vast engelen gedaan”, zei ze bij zichzelf. “Wie dit heeft
gedaan is een engel!”
Jonathan en Ehoed keken elkaar blij aan. Die nacht sliepen ze allebei heel
erg lekker.
De jongens hadden zoveel plezier in de manier waarop ze de Masjieach dichterbij
brachten dat ze besloten hun geheim met hun klasgenoten te delen.
Terug naar boven
Achake lo bechol jom sjejawo
In het laatste uurtje op vrijdag stak Ehoed zijn vinger
op. Hij vertelde dat Jonathan en hij een geheim hadden dat ze met iedereen
wilden delen.
“Een geheim? Wat voor een geheim?” wilden de kinderen weten.
Ehoed vertelde over zijn opa, de Masjieach en de manier waarop hij en Jonathan
de Masjieach dichterbij probeerden te brengen.
De jufrouw keek trots naar ze.
“Jullie zijn een schakel van een lange ketting”, zei ze. “Al
twee duizend jaar lang geloven en wachten de mensen op de komst van de Masjieach;
zolang als het galoet (ballingschap) al duurt. Deze emoena heeft ons geholpen
en gezorgd dat we een volk zijn gebleven. Jullie kennen vast wel allemaal het
liedje van ‘Achake lo bechol jom sjejavo”
De hele klas zong het liedje. Eerst zacht en toen steeds harder. Toen ze klaar
waren stelde de juffrouw voor dat iedereen Hasjem zou bedanken voor de vele
goede en bijzondere dingen die Hij de laatste tijd voor de Joodse mensen heeft
gedaan. De juffrouw koos een paar stukjes Tehilliem uit die ze allemaal samen
zeiden om Hasjem te danken.
De klas was erg enthousiast over de dingen die Ehoed en Jonathan hadden
gedaan en iedereen bedacht nog meer manieren om te helpen. Ze wilden allemaal
meedoen. Eén van de kinderen bedacht dat er een speciaal tsedaka
busje in de klas moest zijn waar de kinderen elke dag wat geld in zouden
stoppen. Ieder keer zouden ze dan besluiten wie er van dit geld geholpen
zou worden. Iedereen was het er mee eens.
“Dat wordt ons tsedaka busje. Onze geleerden hebben gezegd dat tsedaka
de geoela dichterbij brengt” zei de juffrouw.
Ehoed zag zijn opa voor zich. Hij glimlachte tegen zijn kleinzoon. Ehoed
voelde zich helemaal warm worden van binnen. Alsof hij zijn gedachten
gelezen had fluisterde Jonathan tegen hem:”wat heerlijk dat we in
zo een bijzondere tijd leven.”
Ehoed keek zijn vriend aan en bedacht hoe goed het was zo een vriend te
hebben die hem zelfs zonder woorden begreep.
Net zoals Jonathan en Ehoed en net als hun klasgenoten willen ook wij dat de
Masjieach snel komt. We hoeven niet veel meer te doen dan Jonathan en Ehoed.
Iedereen probeert in zijn eigen buurt mensen te helpen en blij te maken.
Zo eenvoudig is het! Bedenk je eens hoe goed het zou zijn als iedereen dat
zou doen!
Terug naar boven
Vertaald uit het Engels 1991
|