Als vervolg op de geschiedenis van de Openbaring, dat vorige week gelezen werd, lezen wij in deze Parasja een verzameling van wetten die Mosje van G.d kreeg op de berg Sinaï. Voor een deel zijn het wetten die betrekking hebben op het menselijke verkeer; schadevergoeding, hoe men een vreemdeling dient te behandelen, slavernij en de regels van een lening.

Er zijn ook wetten die zich afspelen tussen de mens en G.d; zo worden wij geboden om de feestdagen te houden; ook het verbod om melk en vlees te mengen vinden wij hier, alsook het gebod om tot G.d te bidden. In totaal zijn er 53 mitswot in Parasjat Misjpatiem.

Aan het einde keert de Torah terug naar de beschrijving van de omstandigheden rond de berg Sinaï. Het Joodse volk had de Torah en haar Mitswot aanvaard met de woorden “Na'ase Wenisjma” “wij zullen doen en wij zullen luisteren.” Mosjee benoemde Aharon en Choer om de zaken waar te nemen, zolang hij op de berg zou verblijven.

 

Haftara: Jirmijahoe 34:8-22, 33:25-26. “Ieder moet zijn slaaf en slavin vrijlaten.”