Door het tellen van het joodse volk wordt er een flinke paradox gecreëerd. Aan de ene kant vertellen onze geleerden ons dat G‑d ons wil tellen omdat Hij van ons houdt. Dierbare zaken worden steeds opnieuw geteld door diegene die ze lief heeft. Aan de andere kant kan een telling schadelijk zijn en ons aan geweldige gevaren blootstellen. Onze geleerden spreken over ‘het boze oog’ dat mensen kan overkomen als zij geteld worden.

 

Dit komt doordat een telling twee tegenovergestelde doelen bereikt. Door zich op de totale optelling van het volk te richten wordt er van het individu verwacht dat hij zijn individualiteit ‘uitschakelt’ voor het doel van de telling. Tegelijkertijd wordt, door aan een som te komen dat een geheel volk omvat, elk individu gedwongen zichzelf af te vragen of hij of zij het waardig is bij te dragen aan een geheel.

 

Iedere jood is een kind van G‑d en daarom geliefd door G‑d, zoals al zijn kinderen dierbaar voor een vader zijn. Het niveau van een individu die de wetten van de Tora in acht neemt, de graad waarin hij de mitsvot (geboden) in acht neemt, versterkt of verzwakt Zijn liefde niet. De liefde van G‑d voor Zijn volk is op dit niveau universeel. Dit wordt in de telling weerspiegeld. Omdat iedere persoon evenveel bijdraagt aan het totale getal, ongeacht zijn of haar niveau van vroomheid.

 

Aan de andere kant kunnen de gebreken van een individu het hele volk bij een telling in gevaar brengen. Door de aandacht te vestigen op onze aantallen zou het de jaloezie kunnen opwekken van onze buren, welk ons dan aan het ‘boze oog’ blootstelt. Het ‘boze oog’ wordt opgeroepen wanneer iemands handelingen de jaloezie van de buurman opwekken.

 

Wanneer anderen op een jaloerse manier naar ons succes kijken, vraagt G‑d zich af of wij meer recht op dat succes hebben dan onze buren.

Aangezien ieder individu bijdraagt aan de totale som van het volk, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat G‑d nauwkeurig het gedrag van het individu test om derhalve  tot een beoordeling van het lot van het volk te komen. Het gevolg voor het hele volk kan rampzalig zijn. (Zie Commentaar van Klie Yakar op Exodus 30:12 en Nummeri 1:1. Voor een beschouwing over  het ‘boze oog’ zie Noam Elimelech op Nummeri 1:1het tellen van joodse mensen wordt als een Bijbels verbod gezien (Talmoed, Yoma 22b).

 

Tellen door niet te tellen.

 

Zou dat misschien de reden zijn dat G‑d het joodse volk opdraagt om een munt ter boetedoening voor liefdadigheid aan te bieden, toen zij geteld werden? Exodus 30:12-13 כִּי תִשָּׂא אֶת-רֹאשׁ בְּנֵי-יִשְׂרָאֵל, לִפְקֻדֵיהֶם, וְנָתְנוּ אִישׁ כֹּפֶר נַפְשׁוֹ לַה, בִּפְקֹד אֹתָם; וְלֹא-יִהְיֶה בָהֶם נֶגֶף, בִּפְקֹד אֹתָם.  יג זֶה יִתְּנוּ, כָּל-הָעֹבֵר עַל-הַפְּקֻדִים—מַחֲצִית הַשֶּׁקֶל, בְּשֶׁקֶל הַקֹּדֶשׁ:  עֶשְׂרִים גֵּרָה, הַשֶּׁקֶל—מַחֲצִית הַשֶּׁקֶל, תְּרוּמָה לַה Wanneer gij het getal der Israëlieten bij de telling opneemt, dan zullen zij, ieder voor zijn leven, aan G‑d een zoengeld geven, wanneer men hen telt, opdat er onder hen geen plaag zij bij de telling. 13 Dit zal ieder die tot de getelde gaat behoren, geven: een halve sikkel, gerekend naar de heilige sikkel – deze sikkel is twintig gera – een halve sikkel is de heffing voor G‑d.

Deze contributie was een bescherming tegen de blootstelling van de gevaren van het ‘boze oog’. (zie uitleg van Rashi, Numeri 1:2, en verder Nachmanides en Malbim ibid. Voor een andere mening, Klei Yakar en Abarbanel ibid, en Nachmanides bij Exodus 30:12)

 

De munt had nog een betekenis. Toen Moshe de telling deed, telde hij de mensen niet daadwerkelijk. Hij telde hun munten. Iedere persoon gaf een munt en het totale aantal munten omvatte het totale aantal van het volk. Deze methode verwijdert het ‘boze oog’ een stapje verder. Diegenen die ontvankelijk waren voor het ‘boze oog’ werden alleen op indirecte wijze geteld. (Rashi en Nachmanides op Exodus 30:12)

 

In zijn dagen ondernam koning Sha’oel bij twee verschillende gelegenheden ook een telling van het joodse volk en voerde gelijksoortige voorzorgsmaatregelen uit. Bij een telling instrueerde hij iedereen een schaap te nemen uit de Koninklijke kudde, en telde toen de schapen.

Een andere keer gebood hij iedereen een steen te nemen, en telde hij de stenen. (Samuel I 11:8 en 15:4.)

Koning David echter droeg eens een telling van het volk op en ondernam geen enkele voorzorgsmaatregelen. Een direct resultaat hiervan was dat het volk werd gestraft en wat van haar glorie werd verwijderd. (Samuel II hoofdstuk 22)

 

In tijden van verdienste.

 

De kwetsbaarheid waaraan wij worden blootgesteld bij een telling is alleen maar zorgwekkend als wij bang zijn dat wanneer G‑d ons zou berechten het ons aan deugden  zou ontbreken.

Wanneer het joodse volk in een verdienstelijke staat is, zijn wij duidelijk veilig voor  de negatieve gevolgen van een telling. In zulke tijden zal de telling alleen maar positief zijn en geen enkel gevaar vormen. (Talmud, Yoma 22b)

 

Dit kan een reden zijn waarom het joodse volk wordt vergeleken met de sterren aan de hemel. Iedere ster is een lichtgevende luminescent, maar iedere individuele ster zou nauwelijks hier op aarde waargenomen worden. 

Alleen door de combinatie van licht van miljoenen sterren, vormt er zich een prachtig baldakijn van lichtpuntjes dat naar ons schijnt.

 

Wanneer een groep van Joodse mensen geteld wordt, schijnt het individu door de totale som heen. Het is waar dat in vergelijking met het geheel, het individuele verbleekt, maar zijn bijdrage is noodzakelijk en zeer aanwezig.

 

Op een iets dieper niveau wordt het joodse volk vergeleken met een groot menselijk lichaam. Er zijn veel ledematen aan het menselijke lichaam en ieder van hen heeft een cruciale functie die niet door een ander overgenomen kan worden.

Niet een ledemaat zelf vormt het lichaam, maar zonder een van deze lichaamsdelen zouden belangrijke functies weg kunnen vallen, zou het lichaam zelfs gehandicapt kunnen zijn.

Een gezond lichaam bestaat uit individuele gezonde ledematen die perfect samenwerken.

 

Zolang iedere ster of iedere lichaamsdeel gezond is, schuilt er geen gevaar in voor het lichaam. Wanneer die ene ster niet meer schittert, of dat ene lichaamsdeel verzwakt is, wordt de impact daarvan op het hele lichaam gevoeld.

 

Nu kunnen wij misschien begrijpen waarom de geleerden onderrichten dat een telling alleen genomen zou moeten worden wanneer het joodse volk zich in een verdienstelijke staat bevindt. Wanneer de individuele jood als een ster schittert en op een positieve wijze bijdraagt aan het joodse volk, dan is het voor iedereen voordelig om hem in de schijnwerpers te zetten. Wanneer iemand niet de wens van G‑d vervult, dan onderstreept de telling de geringe bijdrage van het individu en dat kan weer negatieve gevolgen op het hele volk hebben.

 

Met andere woorden,

 

deze paradox van het tellen wordt gereflecteerd in de keuze van de terminologie die de Tora gebruikt betreffende de telling.

In plaats van Moshe te zeggen de mensen te tellen, draagt G‑d hem op de mensen te ‘verhogen’. Het Ivriet woord voor verhogen is ‘se’oe’. Het woord ‘se’oe’ heeft een tweevoudig connotatie. Het betekent verhogen maar ook verwijderen. In de Tora wordt het in een positieve zin gebruikt, als in het zichzelf verheffen naar een hoger niveau, maar ook in negatieve zin, als in de voorspelling van Josef voor de Egyptische bakker, Genesis 40:19 בְּעוֹד שְׁלֹשֶׁת יָמִים, יִשָּׂא פַרְעֹה אֶת-רֹאשְׁךָ מֵעָלֶיךָ, וְתָלָה אוֹתְךָ, עַל-עֵץ binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen, boven u, en u aan een paal hangen

 

De Tora gebruikt ook het Ivriet woord ‘liefkod’, wat tellen betekent. De letterlijke vertaling van ‘liefkod’ betekent herinneren. Inderdaad, wanneer iets geteld wordt, wordt het herinnerd. Maar datzelfde woord betekent ook ‘afwezig zijn’. de tweevoudige vertaling van dit woord versterkt de uitleg van de paradox. (Zie Samuel I 20:18 וַיֹּאמֶר-לוֹ יְהוֹנָתָן, מָחָר חֹדֶשׁ; וְנִפְקַדְתָּ, כִּי יִפָּקֵד מוֹשָׁבֶךָ Daarop zeide Jonatan tot hem: Morgen is het de nieuwe maan; dan zult gij gemist worden, want uw plaats zal ledig blijven.)

Wanneer iemand een groep van mensen telt worden de individuen gelijktijdig verhoogd en verwijderd, herinnerd en verwijderd. Aan de ene kant wordt ieder individu gevraagd zichzelf en zijn individualiteit weg te cijferen voor het groter goed van de hele groep. Dit laat het individu stijgen naar een niveau van een geheel. Aan de andere kant is ieder individu cruciaal in het vormen van het totale nummer van een groep. In die zin telt ieder individu zeer zeker mee.

Shabbat Shalom

Le’iloej nishmat Shimon Tovia ben Levi

 

*Dit legt misschien een zeer interessante midrash uit: Bamidbar Rabbah 2:17

De midrash vertelt dat Moshe het joodse volk met de sterren vergeleek, Bil’am met stof en Hosea met zand. Moshe sprak uit liefde voor het joodse volk, Bil am uit haat en Hosea vanuit neutraliteit. Het verschil tussen sterren, aarde en zand ligt in de klemtoon op het individu. Er is een enorm aantal sterren, maar onafhankelijk van de anderen is elke ster individueel luminescent. Stukjes van stof zijn individueel nutteloos. Hun kracht schuilt in de aantallen. Wanneer vele deeltjes vochtig zijn en samen een groep vormen, kunnen zij gezamenlijk een zaadje vormen. Zand ligt daar ergens tussen in. Een zandkorrel heeft geen bijzondere waarde, pas wanneer vele zandkorrels in een vorm worden verwerkt, kun je elk zandkorrel in zijn positie in het geweldige zandkasteel waarderen. Iemand bij wie joodse mensen dicht aan het hart licht zou erop wijzen dat elke Jood individueel schijnt en bijdraagt aan de grootsheid van het geheel. Een hater van Joden zou deze individuele bijdragen ontkennen en enkel de prestaties van het geheel erkennen. De neutrale zou het individu herkennen, maar zou niet zijn bijdrage rondbazuinen.