Op aandringen van het volk heeft Mosje twaalf verspieders gestuurd om het land Kena'an te onderzoeken. Na veertig dagen rondreizen, kwamen zij terug, bewapend met heerlijke vruchten van het land. Echter, brachten tien van de twaalf verspieders een zeer negatief beeld weer over de (reuzen) bewoners van het land ‘ze zullen nooit verslagen kunnen worden’. Ondanks dat Jehosjoe’a en Kalew hun vertrouwen uit spraken dat als G.d ons goed gezind blijft komen wij zeker in het land van melk en honing, viel het volk voor de misleidende worden van de tien verspieders. Als gevolg werd de intrek veertig jaar uitgesteld en ondertussen moesten ze door de woestijn trekken.

Aan het einde van de Parasja komen een aantal andere mitswot, in het bijzonder de mitswa van tsietsiet ; de franjeachtige draden die vastgebonden worden aan de hoeken van een taliet e.d.

Haftara: Jehosjoe’a 2;1 – 24. Ook hier lezen wij van verspieders die het land Kena’an moesten verkennen. Deze keer is het Jehosjoe’a, Mosjee’s opvolger, die geen 12, maar 2 verspieders naar de stad Jericho stuurde. Bij terugkomst was hun boodschap helder; De Eeuwige heeft ons het hele land in handen gegeven!