Toch mocht Mosjé Rabbenoe het land Israel niet betreden. Waarom?

Antwoord: Hij heeft zich niet goed gedragen bij het ‘water van Meriva’.

Een van de meest onbegrijpelijke onderwerpen in de Tora is het voorval bij het ‘water van Meriva’ waarbij G‑d verordende dat Moshe in de woestijn zou sterven en het land Israël niet mocht betreden.

Honderden generaties, gerekend vanaf de periode van Mosje en de rabbijnen verder in de geschiedenis, worstelen met dit raadselachtige hoofdstuk. Terwijl jij dit leest zal er iemand zijn die er een betekenis of wijze les probeert uit te halen.

Maar eerst de feiten: (zoals verhaald in Numeri 20:1-13): wat is er eigenlijk gebeurd?

Na veertig jaar door de woestijn te hebben gereisd komt het Joodse volk aan in Kadesj, gelegen in de woestijn van Tsin, aan de grens van het Heilige Land.

Er is geen water, de mensen zijn dorstig, en zoals wij bij eerdere gelijke omstandigheden hebben gezien, klagen zij bij Mosje.

Het is geen flaterend tafereel. ‘als we maar gestorven waren’ razen zij ‘toen onze broeders voor G‑d stierven’. ‘waarom heb je deze gemeente van G‑d naar deze woestijn gebracht, om hier te sterven, wij en ons vee? Waarom heb jij ons uit Egypte geleid? Om ons naar deze afgrijselijke plaats te brengen?’

Mosje spreekt G‑d aan en Hij instrueert hem ‘neem je staf, verzamel de mensen, jij en Aharon jouw broer. En jij zult voor hun ogen tegen de rots spreken en de rots zal water geven’. Toen iedereen bij de rots stond sprak Mosje: Luister eens jullie, rebelerend volk! Zullen wij ervoor zorgen dat er uit deze rots water voor jullie stroomt? Mosje hief zijn hand op en .. sloeg tweemaal met zijn stok op de rots. Water stroomde eruit en het volk en het vee dronken.

Waarna G‑d tegen Mosje en Aharon zei: Omdat jij Mij niet geloofde, Mij te heiligen in de ogen van het Joodse volk, daarom zul jij deze mensen niet het land binnen brengen dat Ik hen gegeven heb.

Wat heeft Mosje verkeerd gedaan? Wat was zijn zonde dat hij zo een verwoestende straf ‘verdiende’.

De commentatoren zoeken in de tekst naar aanwijzingen. Hieronder vier verklaringen

1) Rashi (Rabbi Sjlomo Yitzchaki 1040-1105) duidt op het feit dat G‑d Mosje opdroeg tegen de rots te spreken terwijl Mosje, sloeg.

Op deze manier verzuimde hij ‘om Mij te heiligen voor de ogen van de kinderen van Israël’ (water ontrekken door middel van spreken is een veel groter wonder dan door middel van slaan).

2) MaimonidesRambam (Rabbi Mosje ben Maimon, 1135-1204) geeft een andere verklaring, nl: Mosje’s fout was dat hij kwaad werd en op een ruwe manier tegen de mensen sprak. (Zijn ‘luister eens jullie herrieschoppers!’ toespraak).

3) Rabbi Levi Yitzchak van Barditchev (1740-1810) heeft een andere, interessante benadering. Rasji en Maimonides geven elk hun mening als zijnde twee zijden van dezelfde munt. Een tsaddik (rechtvaardige) is niet alleen een leider van zijn mensen, maar ook de meester van zijn omgeving. Deze twee rollen worden met elkaar vermengd, de laatstgenoemde afgeleid van de eerder genoemde. Wanneer de verhouding van de leider met zijn mensen liefhebbend en harmonisch is, dan levert de lichamelijke wereld ook gewillig zijn hulpbronnen aan ter bevordering van hun doelen. Maar als de relatie wordt bereikt door harde woorden en berispingen dan zal de leider het nodig achten de strijd met de natuur aan te gaan en zal hij bij iedere bocht zijn wil in een strijd met de natuur moeten aangaan.

4) Nachmanides -Ramban (Rabbi Mosje ben Nachman, 1194-1270) ziet in beide uitspraken (van Rasji en Maimonides) een probleem. Indien Moshe werd geacht niet op de rots te slaan, waarom droeg G‑d hem dan op zijn staf mee te nemen? De Tora herhaalt dit feit zelfs en benadrukt verder dat ‘Mosje de staf voor het aangezicht van G‑d nam, zoals Hij hem had geboden’.

Als wij terugkijken naar de eerdere instructies aan Mosje om water uit de rots te onttrekken (zie Exodus 17:6) is het dan niet redelijk voor Mosje om aan te nemen dat de staf hier voor dezelfde functie was bestemd? (Tenzij G‑d hem ‘erin liet lopen’, maar daar later meer over). Maar waarom werd hier een straf verordend en bij andere gevallen niet?

Nachmanides geeft de volgende uitleg: Mosje vergistte zich door tegen de mensen te zeggen: ‘Zullen wij voor jullie water laten stromen uit deze rots?’ Woorden die zouden kunnen worden opgevat dat water uit een rots laten stromen iets is dat Mosje zelf doet en niet door G‑d wordt gedaan.

Op het moment dat een leider een eigen identiteit aanneemt en zijn prestaties hem persoonlijk worden toegeschreven en op het moment dat hij iets anders belichaamt dan de collectieve identiteit van de mensen en hun relatie met G‑d, heeft hij in zijn rol gefaald.

(Nachmanides vindt ondersteuning voor zijn verklaring in G‑ds openingswoorden aan Mosje: ‘omdat jij Mij niet geloofde’ implicerend, dat dit een hiaat was in het geloof van Mosje in plaats van een missertje in gehoorzaamheid).

Maar er is een gemene deler in deze en de talrijke andere verklaringen die de geleerden geven: de verwarring, dat wat ook het probleem was, het eigenlijk niet het probleem was. Eigenlijk ‘pakt’ G‑d Mosje op een technisch detail.

In zijn argument met G‑d voelt Mosje dit aan en zegt als het ware tegen G‑d: U heeft mij een erin laten lopen.

De tekst ondersteunt zijn klacht. Veertig jaar terug vond het incident van de verspieders plaats. Gedurende die tijd openbaarde de generatie die de uittocht uit Egypte had meegemaakt en de Tora had ontvangen zich bij de Sinaï als een onwillig- en onbekwaam volk om G‑ds plan naar een volgend stadium te brengen, namelijk het Heilige Land te betreden en het in bezit te nemen.

In die tijd, vertelt de Tora, verordende G‑d dat de voltallige generatie (alle mannen boven de twintig) in de woestijn zouden sterven. Met uitzondering van twee mannen. Numeri 14:30 אִם-אַתֶּם, תָּבֹאוּ אֶל-הָאָרֶץ, אֲשֶׁר נָשָׂאתִי אֶת-יָדִי, לְשַׁכֵּן אֶתְכֶם בָּהּ—כִּי אִם-כָּלֵב בֶּן-יְפֻנֶּה, וִיהוֹשֻׁעַ בִּן-נוּן. Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen, behalve Kalev, de zoon van Jefoenè en Jehosjoe’a, de zoon van Noen! (de twee spionnen die de plot van hun tien collega’s weerstonden).

Mosje, die met iedere vezel van zijn lichaam hunkerde het Heilige Land binnen te gaan, was niet schuldig aan de zonde van de spionnen dus moest er een ander voorwendsel worden gevonden.

Maar G‑d had al veertig jaar eerder vastgesteld dat de voltallige generatie, Mosje en Aharon daarbij inbegrepen, het Land niet zouden binnen gaan.

‘Dit is een complot dat u tegen mij heeft uitgedacht of opgezet’ citeert de Midrasj Mosje, zeggende tegen G‑d.

Maar waarom? Indien Mosje niet schuldig was aan de zonde van die generatie, waarom werd hem dan opgedragen hun lot te delen? Er is een aangrijpende Midrasj die de volgende parabel weergeeft:

Een schaapherder werd opgedragen de hele kudde van de koning te hoeden, te voeden en te verzorgen. Maar hij raakte de hele kudde kwijt.

De herder wilde het Koninklijke paleis betreden, maar de koning weigerde hem de toegang. ‘Wanneer de kudde die jou werd toevertrouwd gevonden wordt, zul jij worden toegelaten.’

Het originele plan was dat de 600.000 personen die Mosje uit Egypte had geleid het Land zouden binnen gaan. Maar die generatie bleef in de woestijn. Jij bent hun leider, zei G‑d tegen Mosje, hun lot is jouw lot.

Deze boodschap is zeer impliciet in de woorden van G‑d tegen Mosje direct nadat hij op de rots sloeg. ‘… daarom zul jij deze gemeente, het land dat Ik heb gegeven niet binnen brengen’. Hieruit leidt de Midrasj af: deze generatie zul jij niet binnenbrengen, die generatie wel. ‘deze generatie’- de generatie die Moshe bij de rots confronteerde, was niet Mosje’s generatie. Zijn generatie was in de woestijn begraven.

Wanneer zij het land zullen betreden, zegt G‑d tegen Mosje, en dat zal gebeuren wanneer de uiteindelijke verlossing alle generaties uit de geschiedenis zal verlossen, zul jij hen leiden.

Sjabbat Sjalom

Le’iloej nisjmat Shimon Tovia ben Levi

Midrasj: "Midrasj" betekent "tentoonstelling". De Midrasj (of Medrasj) is vermoedelijk een van de meest verwezen verzameling van verklarende werken op Tanach, naast Rasji. De Midrasj of Midrasjim, vult de openingen/hiaten achter het menigmaal vluchtige, skeletachtige verhaal van de Tora, Neviim en Ketoevim. Het voegt vlees naar zijn botten toe, en vertelt ons dingen die wij anders nooit zouden weten, hoofdzakelijk de dialogen en details van de Tora geleerden en van hun leven. De Midrasj een vitaal, waar deel van de Mondelinge Tora.