Al wat Sara jou zal zeggen, moet je gehoor aan geven (Genesis 21:12)

Dit leert ons dat Sara op het gebied van profetie de meerdere van Avraham was (Rashi).
Zelfs in deze tijd aanvaarden de meeste dames op hoffelijke wijze nog steeds de traditionele regel “dames gaan voor”, of dat nou is bij het verlaten van een zinkend schip of bij het binnengaan van een danszaal. Deze regel wordt doorgaans opgevat als een concessie van het sterke geslacht aan het zwakke(re), maar in werkelijkheid is deze regel gebaseerd op een geheel andere redenering, althans in de Joodse traditie.

Zo’n 3318 jaar geleden, toen Mozes het volk van Israel opdracht gaf zich voor te bereiden om bij de Berg Sinai de Tora te ontvangen, sprak G’d: “Zo moet je zeggen aan het Huis van Ja’akov en het mededelen aan de Kinderen van Israel” (Exodus 19:3). Onze wijzen leggen uit dat met het “Huis van Ja’akov” de vrouwen bedoeld worden; en met “de Kinderen van Israel” de mannen. Met andere woorden, praat eerst met de dames.
Tot dat moment luidde de regel “heren gaan voor”. Zoals wij allemaal weten werd Adam vóór Eva geschapen. Noach en zijn zonen betraden als eersten de ark, gevolgd door hun echtgenotes – dat is althans de volgorde waarop zij in Genesis 7:13 worden genoemd.
Vandaar de vraag: waarom gaf G’d de Tora eerst aan de vrouwen?

In de Chassidische leer wordt de verklaring gevonden in het wezenlijke karakter van mannelijkheid en van vrouwelijkheid. De wereld komt voort uit de “oneindige geconcentreerde lichtstraal” (kav), die doordringt in het door G’d gecreëerde vacuüm (makom panoei). Zo werd de wereld geschapen. Maar in werkelijkheid is de makom panoei geen absoluut “vacuüm”. Een restant van het oorspronkelijke G’ddelijke licht bleef achter, en daardoor is er een onzichtbare aanwezigheid van G’ddelijkheid die ons bestaan doordringt en aan ons bestaan ten grondslag ligt. Deze onzichtbare aanwezigheid van het Oneindige G’ddelijke licht vormt de vrouwelijke component.

De man heeft daarom de opdracht erop uit te trekken, een overwinnaar te zijn; in de schepping is het zijn rol om de aardse duisternis uit te bannen en licht uit de hemelen naar beneden te brengen.
De vrouw is een verzorger, die zich bezighoudt met wat is en niet met wat er gedaan moet worden. Zij houdt zich bezig met de G’ddelijkheid in de wereld; niet met het van buiten naar binnen brengen ervan.
Man en vrouw, beiden onderdeel van het plan van de Schepper: het is onze levensopdracht om G’d in de wereld te brengen (de mannelijke rol) en om deze wereld tot een huis voor G’d te maken (de specialiteit van de vrouw); om de duisternis te overwinnen (mannelijk), en het in de duisternis verborgen licht te onthullen (vrouwelijk).

De mannelijke component domineerde zolang de mensheid de handen vol had aan het bestrijden van de duisternis. Maar toen kwam de dag dat G’d, in Zijn verlangen naar het huis dat hij zich had gewenst toen Hij de wereld schiep, Zich gereed maakte om Zich op een bergtop in de Sinaiwoestijn te openbaren en aan het door Hem verkozen volk een Tora met de bouwplannen voor Zijn huis over te dragen.

De mens zal nog steeds moeten strijden, maar al zijn gevechten zullen voortaan gebaseerd zijn op het uitgangspunt dat de wereld ten diepste een G’ddelijke plek is. Wat dat betreft: dames gaan voor!