Jitschak’s knechten gingen in het dal op zoek naar water en zij vonden een bron met helder water. Maar de herders uit Gerar maakten ruzie met Jitschak’s herders. ‘Dat water is van ons,’ zeiden ze. Omdat hij daarover onenigheid met hen had gekregen, noemde Jitschak deze bron Esek= twist.  Toen groeven ze een andere put en ook daarover kregen ze ruzie; hij noemde hem daarom Sitna=schade. Daarna trok hij verder, en weer groef hij een put. Hierover ontstond geen onenigheid. Hij noemde hem Rechovot, ‘want,’ zei hij, ‘nu heeft G‑d ons ruimte gegeven; nu kunnen wij ons uitbreiden in dit land.’[1]

Over het werk en de ondernemingen van Jitschak verteld ons de Tora slechts dat hij waterputten groef. Nachmonides (Ramban) ziet veel betekenis in dit relaas. “Het is een voorspelling op hoe de geschiedenis van de nakomelingen van Jitschak –het joodse volk- zich zal ontwikkelen.” Ramban gaat hier meer specifiek op in: de drie waterputten refereren aan de drie Tempels (Batee Hamikdasj) De eerste twee zijn door onenigheid vernietigd. De derde zal geen ruzie verduren en zal dus eeuwig stand houden.

Hoe zo is een waterput een metafoor voor een Tempel?[2]       

  • Om een waterput te graven heb je doorzettingsvermogen nodig. Je moet een plek kiezen en daar moet je doorwerken. Het is niet de bedoeling op te houden met boren als je tegen een rots aanloopt; je kunt ook niet het werk ook niet naar huis meenemen.
  • Om een waterput te graven moet je bescheiden zijn. Ben je van die creatieve types? Heb je er behoefte aan om een persoonlijk stempel achter te laten op alles wat je doet? Vindt dan een andere baan! Ga niet waterputten graven. Bij het graven van een put máák je niets, je kunt niet eens over produceren spreken. Het water was er al onder de oppervlakte, klaar. Jouw inbreng is alleen de bedekking te verwijderen opdat het water goed omhoog kan komen, fris en borrelend, uit eigen beweging.
  • Om een waterput te graven heb je vertrouwen nodig. Je moet erin vertrouwen dat onder het zand, onder de rotsen, onder vuil, stof en modder, vers bruisend water als het ware op je wacht. Je moet erin geloven dat als je een plek hebt uitgekozen en je blijft daar doorgraven je uiteindelijk een ader van levengevende vloeistof zult raken.

Koning Salomo in zijn tijd en zo ook Zeroebawel in zijn tijd, hebben de eerste en de tweede Tempel met hun handen gebouwd. Geen financiële middelen gespaard en het beste vakmanschap daarvoor ingezet. Maar wat die gebouwen zo bijzonder maakte, was niet de menselijke bijdrage. De Sjechina, de G‑delijke aanwezigheid die daar vertoefde is wat dat prachtige bouwwerk veranderde in een Beet Hamikdasj. Dat hebben de mensen niet gemáákt, ze hebben slechts ‘het vuil’ verwijderd en de omgeving geschikt gemaakt om levendig  licht te laten uitstralen.

Heden ten dage leggen wij de stenen voor het derde Beet Hamikdasj. Elke Mitswa is een steen in dat prachtige bouwwerk! Wij hebben er vertrouwen in dat als wij blijven doorzetten, het bruisende water heel spoedig zal te voorschijn zal stromen en -met de woorden van de profeet Jesjaja- ‘de aarde vol zal zijn met de kennis van G’d!’        
 



 

 

 

[1] Be’reesjiet 26;19-22

 

 

[2] Lku”s 30 p 116