Het eeuwige hemelse brood.

 

Gedurende de veertig jaar dat het joodse volk rondzwierf in de woestijn aten ze het manna. Dagelijks kwam er een portie van dit hemelse brood vallen. Voor iedereen was er genoeg, voor de grote eter en voor de kleine eter. Het manna had nog meer bijzondere kwaliteiten, zo kon men de voedingswaarde en de smaak van het manna aanpassen aan de eigen behoefte. Als men dacht aan doperwtjes, dan smaakte het naar doperwtjes en had het zelfs de voedingswaarde van doperwtjes, maar dacht men liever aan bloemkool, dan was het bloemkool.

Nog een andere bijzondere eigenschap was dat het manna geen afvalstoffen veroorzaakte. Het had zo’n voedingswaarde dat het lichaam alles van het manna gebruikte en er niets overbleef

 

Een kruikje manna voor later

 

 

Aharon krijgt de opdracht om een kruikje met manna te vullen en te bewaren in het Heiligdom voor latere tijden. En inderdaad, eeuwen later heeft de profeet Jirmijahoe  dit kruikje aan het volk getoond. Het volk klaagde dat ze geen tijd hadden voor Torah studie, waarop Jirmijahoe ze het kruikje liet zien, aangevend dat G’d voor ze gezorgd heeft in de woestijn en nu ook voor ze kan zorgen.

 

Na de woestijn

 

Eigenlijk is de boodschap van het manna nog belangrijker in de na-woestijnse periode, dan tijdens hun reis door de woestijn. Toen het Joodse volk eenmaal in Israel aangekomen was moesten ze hard werken voor hun brood. Het land moest geploegd en gezaaid worden, het graan moet geoogst, gedorst, gemalen worden, enz, enz…

De mens kan dan al snel de neiging hebben om te denken, dat dankzij zijn inspanningen, hij ook zijn eigen brood heeft verkregen. En dan komt het kruikje met de eeuwige boodschap van het manna. Natuurlijk moeten we alle bovengenoemde handelingen verrichten , maar we moeten ons terdege realiseren , dat het de G’ddelijke bracha, de G’ddelijke zegen is, die er voor zorgt dat alles bloeit en groeit en dat wij onze lichaam èn geest kunnen voeden met het aardse brood. Eigenlijk is ons aards broos ook hemels brood!!