Dankbaarheid is een basiselement ingenesteld in het joodse leven. Dankbaarheid voelen en het te uiten naar de mensen om ons heen alsook dankbaarheid voelen en uiten naar G‑d.
Een belangrijk aspect van deze speciale dankbaarheid is het uitspreken van het bensjen, het dankgebed dat uitgesproken wordt na het eten van brood. Het is een belangrijke gebeurtenis na een groots banket, een familie maaltijd op Shabbat of voor iemand die zomaar een sandwich voor de lunch eet.
Het bensjen symboliseert dat wij voor ieder detail in ons leven van G‑d afhankelijk zijn en dat wij Hem zo dankbaar zijn dat Hij ons met iedere stap op weg, draagt. Wij hebben G‑d voor ons bestaan nodig, van moment tot moment, voor de lucht die wij inademen en voor het eten dat wij eten.
Het idée dat wij dit bensjen uitspreken komt uit de Tora: Deuteronomium 8:10 וְאָכַלְתָּ, וְשָׂבָעְתָּ—וּבֵרַכְתָּ אֶת ה אֱלֹקיךָ, עַל-הָאָרֶץ הַטֹּבָה אֲשֶׁר נָתַן- Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE, uw G‑d, prijzen om het goede land dat Hij u gaf. Onze geleerden, Chazal, (Brachot 48b) zeggen dat de letterlijke betekenis hiervan inhoudt dat wij G‑d alleen hoeven te zegenen als wij genoeg gegeten hebben en ‘verzadigd’ zijn. Toch introduceren Chazal het idee dat wij na een maaltijd moeten danken zelfs als we niet helemaal verzadigd zijn, maar zolang wij een minimum hoeveelheid brood hebben gegeten. (Een minimum hoeveelheid is een kezayit = ‘afmeting van een olijf’ - ongeveer 29 gram).
Het bensjen (dankgebed) heeft vier paragrafen. De eerste gaat over het feit dat G‑d voorziet in eten voor de hele wereld. Dit is door Moshe opgesteld. Het joodse volk dat door de woestijn trok sprak het gebed na het eten van het manna uit, dat uit de hemel viel.
Na veertig jaar trokken zij het Beloofde Land in. Toen schreef Jehoshua de tweede paragraaf, welke begint bij het danken van G‑d voor het heilige Land Israel. De tekst in deze paragraaf weerspiegelt de dank aan G‑d voor het verbond door middel van de Brit Mila, de besnijdenis, de uittocht uit Egypte en voor de Tora.
De derde paragraaf die door David en Shlomo werd vastgesteld, gaat over de stad Jeroeshalajiem. Het spreekt ook over de lijn van koning’s afstammelingen van David en over het Bet HaMikdash, de Tempel. Deze paragraaf eindigt met een verzoek naar G‑d om de heilige stad Jeroeshalajiem te herbouwen met de komst van de Mashiach.
Het laatste gedeelte van het bensjen is zo een 1870 jaar geleden door Chazal samengesteld. Het is een algemene uiting van dankbaarheid tot G‑d: Hij ‘is de Koning die goed is en goed naar iedereen doet’.
In feite is het laatste deel geschreven na de afgrijselijke tragische mislukking van de Joodse Opstand tegen de Romeinen in 135 CE. Een enorme hoeveelheid joden werd afgeslacht. Het eren van G‑d kon gezien worden als dankbaarheid dat wij het overleefden teneinde het authentieke Jodendom aan de volgende generatie te kunnen doorgeven. In dit laatste gedeelte danken wij ook onze gastheren en onze ouders en vragen wij G‑d nogmaals om Elijah te sturen die de Mashiach zal aankondigen.
Bijkomende paragrafen en regels of kleine veranderingen in bewoording, geven blijk aan speciale dagen als Shabbat, een nieuwe maand en feestdagen.
Door het bensjen danken wij G‑d niet alleen voor het voorzien in onze basis behoeften, het is een integraal gedeelte van ons leven als Jood, de weergave van het verloop van de Joodse geschiedenis, met zijn vreugdes, tragedies en hoop. Het reciteren of zingen verbindt ons tot duizenden jaren van leven van het Joodse volk en geeft ons ook de kostbare gelegenheid ons direct tot G‑d te kunnen wenden.
Shabbat Shalom
Le’iloej nishmat Shimon Tovia ben Levi