HET BLAADJE

Bij de weg daar stond een boom

Met takken en met bladerkroon

Een blaadje dat was losgegaan

Dat raakte daar de aarde aan.

 

Een tsaddiek, gaande op zijn pad

Het blaadje daar gevonden had;

‘’Waarom ging jij van ’t takje heen,

gevallen op de grond, alleen?!’’

 

Het blaadje zei: ‘’Vraag mij het niet,

Waarom dit met mij is geschied;

Mijn takje schudde in de wind,

En zo op aarde u mij vindt.’’

 

De tsaddiek vroeg nu aan de tak

Waarvan het blaadje nederbrak:

‘’Waarom jij schudde in de wind

En op de grond het blad ik vind?’’

 

Toen zei de tak: ‘’Ik weet het niet,

Ik ben het niet die doet geschied’;

Het was de wind die plotsklaps kwam

En uit de boom het blad meenam.’’

 

‘’ Wind, o wind, zeg jij mij nou

Wat jij dan van dat blaadje wou;

Waarom blies jij met windgeruk

Het blad van zijne takken stuk?’’

 

Toen zei de wind: ‘’Ik weet het niet,

Ik ben het niet die doet geschied’;

Mijn mal’ach-engel zei: ‘ Met kracht

Ga blazen, wind, en niet gewacht!’ ‘’

 

‘’Engel-mal’ach, u de vraag,

Weten wil ik toch zo graag:

‘ Waarom dan vroeg u met uw macht

De wind te blazen met zo’n kracht?’’

 

Toen zei de engel: ‘’Vraag mij niet,

Ik ben het niet die doet geschied’,

Het was de Schepper van het Al,

Hij was het Die mij beval!’’

 

‘’Schepper, Schepper, Hoge Heer,

Wil mij zeggen deze keer

Wat de diepe reden is

Dat het blad beneden is.’’

 

En de Schepper, alleen Hij

Was het Die de tsaddiek zei:

‘’Kijk, een wormpje op het pad

Van de zon te lijden had.

’t Voelde zich in bitt’re nood,

Daarom dat Ik toen gebood:

‘Engel-mal’ach, kom erbij,

Neem de wind mee aan je zij;

Blaas de takken hevig aan,

Dat het blad omlaag kan gaan!’ ‘’

 

De tsdaddiek zag: de worm beneden

Onder ’t blad sliep hij tevreden.

 

(uit het Engels door rabbijn Vorst in het Nederlands bewerkt)