Noot van de redactie: De Heilige Tempel in Jeroesjalajim werd twee keer verwoest op de 9e dag van Aw – door de Romeinen in het jaar 69 van de gewone jaartelling en door de Babyloniërs op dezelfde datum in 423 voor de gewone jaarteling. Eén muur staat nog overeind als levend symbool dat het Joden de eigenaars zijn van het land Israël en de stad Jeroesjalajim: de Kotel haMa’aravi de westelijke muur, of in het Nederlands: ‘Klaagmuur'.

 

Het onderstaande is een uittreksel uit de memoires van Rabbi Moshe Segal (1904-1985), vertaald uit het Hebreeuws. Rabbi Moshe Segal was een Lubavitcher Chassied actief in de strijd om het Heilige Land te bevrijden van de Britse overheersing.

 

In die tijd – voor 1948 -  zag het gebied voor de Kotel er niet zo uit als nu. Een nauwe steeg was de enige scheiding tussen de Kotel en de Arabische huizen aan de overkant. De Britse regering verbood ons Joden om in die steeg een Ark, tafels of banken neer te zetten, zelfs geen krukje mocht bij de Klaagmuur gezet worden.

 

De Britten vaardigden ook de volgende verordeningen uit, bedoeld om de Joden te vernederen op de heiligste plaats van hun religie: het was verboden om hardop te bidden, want dat kon de Arabische bewoners tegen de borst stuiten; het was verboden om uit de Tora te lezen (degenen die bij de Kotel kwamen bidden moesten naar één van de sjoels in de Joodse Wijk lopen om de Tora-lezing te houden); het was verboden om sjofar te blazen op Rosj haSjana en Jom Kippoer. De Britse regering plaatste politieagenten bij de Kotel die de regels moesten handhaven.

 

Op Jom Kippoer van dat jaar [1930] was ik aan het davenen bij de Kotel. In de korte pauze tussen de moesaf en mincha-gebeden, hoorde ik de mensen elkaar toefluisteren: “Waar zullen we naar de sjofar gaan luisteren? Het is onmogelijk om die hier te blazen. Er zijn evenveel politieagenten als biddende Joden …”

 

De politiechef zelf was aanwezig om te verzekeren dat de Joden – G’d verhoede – ook maar die ene toon zouden laten klinken die het vasten afsluit.

 

Ik luisterde naar dat gefluister, en dacht bij mijzelf: “Kunnen wij wel zonder van het geluid van de sjofar? Deze begeleidt onze mededeling dat G’d almachtig is. Zeker, het geluid van de sjofar aan het eind van Jom Kippoer is alleen maar een gebruik, maar “Een Joods gebruik is Tora!” Ik liep naar Rabbi Yitzchak Horenstein, de dienstdoende Rabbi van onze “gemeente” en zei tegen hem: “Geef mij een sjofar.”

 

“Waarvoor?”

 

“Ik ga blazen.”

 

“Wat klets je nou? Zie je die agenten niet?”

 

“Ik ga blazen.”

 

De Rabbi draaide zich abrupt van mij weg, maar niet voordat hij een blik op het gebedsstalletje aan de linkerkant van de steeg had geworpen. Ik begreep hem: de sjofar lag in de kraam. Toen het tijdstip van het blazen bijna was aangebroken, stapte ik naar de kraam en leunde ertegen.

 

Ik opende de la en stopte ongemerkt de sjofar in mijn overhemd. Ik had de sjofar te pakken, maar wat moest ik doen als ze me zagen voordat ik de kans had om hem te blazen? Ik was toen nog vrijgezel, en naar Asjkenazische gewoonte droeg ik nog geen talliet. Naast mij stond iemand met een talliet. Ik vroeg hem om die aan mij te geven.

 

Mijn verzoek moet hem vreemd in de oren geklonken hebben, maar Joden zijn een vriendelijk volkje, vooral op de heiligste momenten van de heiligste dag, en hij overhandigde mij zijn talliet zonder een woord te zeggen.

 

Ik wikkelde mij helemaal in de talliet. Op dat moment voelde ik me alsof ik mijn eigen privédomeintje had gecreëerd. Ik voelde meer dan ik dacht: “Overal om mij heen heerst een vreemde regering over het Israëlische volk, zelfs op hun heiligste dag en op hun heiligste plaats en we zijn niet vrij om onze G’d te dienen; maar onder deze talliet is een ander koninkrijk. Hier ben ik slechts onder het bewind van dat van mijn Vader in de Hemel; hier zal ik doen wat Hij mij opdraagt, en geen kracht op aarde zal me daarvan weerhouden.”

 

Toen de laatste woorden van het Neïlagebed – "Luister Israël", "Gezegend zij de Naam" en "G'd is de Heer" –gesproken waren, nam ik de sjofar en blies een lange toon die lang naklonk. Alles gebeurde toen heel snel. Veel handen grepen mij. Ik trok de talliet over mijn hoofd weg, en voor mij stond de politiechef, die mijn arrestatie beval.

 

Ik werd naar de kishla gebracht, de gevangenis van de Oude Stad waar een Arabische politieman werd aangesteld om mij te bewaken. Vele uren gingen voorbij; ik kreeg geen voedsel of water om mijn vasten te breken. Om middernacht kreeg de agent een bevel om mij te laten gaan en zonder een woord te zeggen liet hij mij uit.

 

Toen hoorde ik dat de hoogste rabbijn van het Heilige Land, Rabbi Avraham Yitzchak Kook hoorde dat ik gearresteerd was. Hij nam onmiddellijk contact op met de secretaris van de Hoge Commissaris van Palestina en verzocht om mijn onmiddellijke vrijlating. De Hoge Commissaris weigerde dat urenlang, maar uiteindelijk had hij geen keus. Uit respect voor de Rabbi moest hij mij wel vrijlaten.

 

De daaropvolgende 18 jaar, tot de Arabieren de Oude Stad in 1948 veroverden, werd de Sjofar iedere Jom Kippoer bij de Klaagmuur geblazen. De Britten begrepen heel goed het belang van deze toon; ze wisten dat die uiteindelijk hun regering over ons land zou laten instorten als de muren van Jericho voor de sjofar van Jehoshua, en ze deden al wat ze konden om dat te voorkomen.

Maar iedere Jom Kippoer werd de sjofar geblazen door mannen die wisten dat ze zouden worden gevangen gezet voor hun aandeel in het opeisen van de heiligste van onze bezittingen.