Door Rabbijn ing. I. Vorst
De verbroederde mensheid — dat is nog steeds toekomstmuziek. En hoe zit het met verbroedering in joodse kring?
De loelav-plantenbundel kan ons daar veel over leren. In de Soekot-brochure van jad Achat, onder het kopje ‘joodse eenheid vanuit verscheidenheid’ heb ik het volgende gescreven:
Er zijn verschillende verklaringen wat betreft de symboliek van deze vier plantensoorten. Een verklaring is gebaseerd op de eigenschappen van de planten: de dadel van de dadelpalm is heerlijk van smaak, maar ruikt niet. Te vergelijken met iemand die veel Tora-kennis heeft, maar weinig goede daden doet. De myrthetakjes, die heel lekker ruiken maar geen smaak hebben symboliseren joden met weinig Tora-kennis en veel goede daden. De wilgentakjes staan voor degenen die geen Tora-kennis hebben en weinig goede daden doen, terwijl de etroĝ, een lekker ruikende vrucht èn smakelijk, het ideaalbeeld geeft: joden die veel goede daden doen en een brede kennis van Tora hebben.
Samengebonden in de loelav symboliseren de vier soorten het hele joodse volk; door één van de vier soorten ‘af te wijzen’ is het voorschrift niet te vervullen, en is er van joodse eenheid geen sprake.
verzoening over en weer
Genoemde ‘eenheid vanuit verscheidenheid’, een voorwaarde over en weer voor het verkrijgen van verzoening, wordt door Rabbi Menachem Schneerson, de Lubavitcher Rebbe, prachtig verder uitgewerkt:
Deze eenheidsgedachte, ontleend aan de Midrasj, geeft niet alleen aan dat alle vier soorten deel uitmaken van het joodse volk, dat zij alle vier waardevol zijn in G’d’s ogen, dat zij alle vier nodig zijn; er is meer: de Midrasj zegt dat zij alle vier elkaar verzoening verschaffen
Dit impliceert dat ieder van de Vier Soorten iets bezit dat de andere drie niet bezitten en dat iedere soort op zijn beurt daardoor het gemis van de andere drie soorten compenseert. Met andere woorden: niet alleen maken de Vier Soorten samen één volk; de vier soorten maken samen één persoon!
De etroĝ zegt: ‘Ik ben perfect. Bij mij zijn het leren van Tora en de praktische handelingen van het joodse leven in volledig evenwicht. In mijn leven is geen verdringing van studie en actie ten opzichte van elkaar; studie en actie zijn elkaars complement.’
Dit moeten wij allemaal kunnen zeggen, in ieder geval van tijd tot tijd. Wij moeten weten dat wij het potentieel hebben deze harmonieuze perfectie te bereiken.
De loelav zegt: ‘Mijn eerste prioriteit is G’d te kennen en daardoor mijn diepste zelf. Ook al betekent dat voor mij dat ik mij dan van het wereldse distantieer.’
Dit moeten wij allemaal kunnen zeggen, in ieder geval van tijd tot tijd. Het is goed te weten dat er momenten in het leven zijn dat wij dit kunnen bereiken.
De myrthetak zegt: ‘Wat onze wereld nodig heeft is actie. Kennis van G’d en zelfkennis zijn waardevolle doelen, maar ik heb werk te verrichten. Ik moet een betere wereld bouwen.’
Dit moeten wij allemaal kunnen zeggen, in ieder geval van tijd tot tijd. Wij moeten weten dat het onze opdracht is voor G’d ‘een woning beneden’ te maken en dat er tijden zijn dat voor het vervullen van deze opdracht alles opzij moet worden gezet.
Het wilgentakje zegt: ‘Ik heb niets. Ik ben niets.’
Dit moeten wij allemaal kunnen zeggen; in ieder geval van tijd tot tijd.